Ga naar de inhoud

De heide

Vloethemveld is een complex van bos- en heidegebied. Maar wat is heide nu precies?
We weten uit onze geschiedenislessen dat het Graafschap Vlaanderen een bosrijk gebied was tot diep in de tiende eeuw. In de eeuw daarop zorgt de stijgende vraag naar hout als constructiemateriaal en brandstof voor een versnelde kapping van de Vlaamse bossen. Het boslandschap verandert gestaag in een woestine, een onvruchtbaar heidegebied, begraasd door schapen en geiten. Een woestine -soms wastine genoemd- wordt gebruikt om een ‘woeste grond’ aan te duiden als tegengesteld aan vruchtbaarder landbouwgrond of een cultuurlandschap.

Vroeger werd elke gemeenschappelijke weideplaats als heide betiteld. Dit heeft in de streektaal tot verwarring geleid. Heide kon evengoed een grasheide of een steppe of zelfs een open bos betekenen. Vanaf de zevende eeuw zorgden volksverhuizingen voor bewoning van deze verlaten gronden. Later werden ook personen die zich niet aanpasten aan de heersende kerkelijke opvattingen vaak verbannen naar deze ‘heiden’, vandaar dat ze ‘heidenen’ werden genoemd.

Voor botanisten is heide evenwel een formatie van dwergstruiken met geen of weinig bomen of hoge struiken en met een doorgaans goed ontwikkelde moslaag. Verder wordt het onderscheid gemaakt tussen het landschap dat vooral uit heideplanten bestaat, en de heideplanten zelf. De eerste wordt ‘heide’ genoemd (zie bijvoorbeeld reservaat ‘De Rode Dopheide’), de tweede ‘hei’ (dophei en struikhei). Heide is evenwel geen natuurlijk landschap maar het resultaat van menselijk beheer (ontbossen, begrazen, maaien, plaggen). Heide kan bijgevolg alleen door actief beheer in stand gehouden worden. Menselijke ingrijpen beperkt zich hoofdzakelijk tot het beletten van bosvorming. Voor de rest is de natuurlijke ontwikkeling vrij. Vandaar dat heide als half natuurlijk landschap omschreven wordt: het is deels mensenwerk, deels het werk van de natuur.
De heide heeft dus een eigen natuurlijk karakter bepaald door de wisselwerking tussen klimaat, bodem en vegetatie. Een voedselarme zandbodem is nodig. Aan de oppervlakte is het relatief grofkorrelige zand zeer doorlaatbaar. Hierdoor krijgen de planten weinig kans om het doorsijpelende regenwater, met de daarin opgeloste schaarse mineralen, op te slorpen. Nitraten (stikstofverbindingen) zijn zeldzaam en kalk ontbreekt nagenoeg volledig. De zuurtegraad of pH is dan ook zeer laag (3,5 tot 5). Humusvorming blijft grotendeels achterwege. Waar de bodem voedselrijker wordt, door insijpelen van meststoffen, kunnen typische heideplanten de concurrentie met meer eisende soorten niet meer aan. Dit zien we aan de rand van akkers en weiden of bij schaapskooien.


Een tweede voorwaarde voor vorming van een heidebiotoop is een maritiem klimaat: veel regen, een hoge luchtvochtigheid, matig warme zomers en niet te strenge winters. De verspreiding van heidevelden is bijgevolg beperkt tot het Atlantische en het Subatlantisch deel van de Noordwest-Europese laagvlakte en de Britse eilanden. Naarmate het klimaat meer continentaal wordt, zoals in Centraal- en Oost-Europa, gaat de heide geleidelijk over in steppe en grasland.


Een andere factor waardoor heide niet kan voortbestaan is voldoende lichtintensiteit. Dit ontbreekt het grootste deel van het jaar in een aaneengesloten bos. In Vlaanderen overleeft de heide daarenboven slechts daar waar, ten gevolge van menselijk ingrijpen, de natuurlijke successie naar bos onmogelijk wordt gemaakt. Waar het traditionele heidebeheer wegvalt, bezetten pioniersbomen spoedig het terrein. Typisch zijn berken en zgn. ‘vliegdennen’, dennen die zich spontaan hebben uitgezaaid. Ze hebben vaak een kenmerkende gedrongen groeiwijze. Na enkele jaren is de heide verdrongen door een aaneengesloten berken- of dennenbos, dat mogelijk zal uitgroeien tot een bos met eiken en berken en een typische kruidlaag.

Laten we nu nog even stilstaan bij de impact die de mens had op zijn omgeving. In de Middeleeuwen (13de eeuw) groeide de menselijke bevolking sterk. Deze ging met zijn vee meer en meer leven ten koste van het omringende bos. Hij voederde zijn dieren met bladeren van boomtakken en liet ze in het bos weiden. Het bos werd omgehakt en verbrand. Op die manier werden de schrale akkers van mineralen voorzien en kon aan landbouw worden gedaan. Na een paar jaar raakte de bodem uitgeput en moesten nieuwe beboste oppervlakten worden ontgonnen. Hout werd daarenboven gebruikt voor het maken van woningen, schepen en werktuigen en diende als brandstof.

Zo werd het bos opener maar de bodem verarmde verder en nieuwe boomopslag werd door het vee onmogelijk gemaakt. Heistruiken vonden steeds meer geschikte milieuomstandigheden en gingen tenslotte domineren. Strooisel van hei scheidt immers fulvozuren af. Deze breken de bodemmineralen af tot hun elementen, waarop die met het doorsijpelende regenwater naar dieper gelegen grondlagen worden meegevoerd. Op de aldus verschraalde en verzuurde bodem ondervond hei, die met uiterst weinig tevreden is, nog nauwelijks concurrentie. Zo ontstonden uitgestrekte heidevelden (zoals het Bulskampveld waarvan Vloethemveld een onderdeel was) die door eeuwenlange extensieve cultuur (begrazen, afbranden, maaien, plaggen) niet meer tot bos regenereerden.

Het is deze combinatie van bodemgesteldheid, klimaat en plantengroei dat uiteindelijk geleid heeft tot een zeer typisch bodemprofiel: de podzolbodem. De podzol is kenmerkend voor de arme zandgronden van Vlaanderen.
In de heide van Vloethemveld groeien 3 soorten hei: rode dophei, struikhei en gewone dopheide. Naast de heideplanten vind je nog heel wat grassen en kruidachtige planten.

De rode dophei of grauwe dophei (Erica cinerea) groeit op schrale grond, gewoonlijk op de droogste plekken. Ze bloeit vanaf juli-augustus tot september. De naamgeving Erica is genoemd naar het Griekse ereikoo (breken), wat slaat op de broosheid van de takken. Cinerea naar het Latijnse cinis, cineris (as) betekent asgrauw. Het is een struikvormige plant die een hoogte kan bereiken van 60 cm. De 3-6 mm lange bladeren zijn lijnvormig en in kransen geplaatst. De bloemen zijn klokvormig, worden 5-6 mm lang en zijn donkerroze of purperkleurig. De bloemen groeien in trosjes bovenaan de struik. Na de bloei vormen zich veelzadige vruchtdozen.

De gewone dophei (Erica tetralix) groeit liefst op natte grond en bloeit van juli-augustus tot oktober. De benaming Tetralix is waarschijnlijk afgeleid van het Griekse tetra (vier) en helix (gedraaid), vanwege de kransen van vier blaadjes. De plant is een dwergstruik, die 10-60 cm hoog kan worden. De bloemen zijn rozerode trosjes. Vlinders, zoals het heideblauwtje vind je vaak terug op de gewone dopheide. Vroeger staken de boeren hun heideplaggen het liefst op dopheidevelden en gebruikten de plaggen als stro in hun potstallen.

De struikhei (Calluna vulgaris) groeit tussen beide vochtigheidsgradiënten in, soms op drogere, soms op nattere plekken. Ze bloeit het laatst, eind augustus, begin september. De benaming Calluna komt van het Griekse callunoo (reinigen), omdat van de plant bezems werden gemaakt. Vulgaris betekent gewoon, algemeen voorkomend. Struikhei komt dus het vaakst voor. Ze wordt 10-100 cm hoog, maar op sommige plaatsen bereikt oude struikheide een hoogte van anderhalve meter. Aan het eind van de takjes zitten de paarse bloemen. De bloeiwijze is trosvormig. Aan de takjes zitten kleine ongesteelde, lancetvormige blaadjes. Aan de voet van de blaadjes zitten twee priemvormige oortjes.

Uit het historisch overzicht van het geïntegreerd beheerplan van het complex Vloethemveld, Duivelsnest en Vuile Moere leren we dat deze woestenij vaak van bestemming veranderde. Rond 1850 bijvoorbeeld werd sterk ontbost door een gunstige ontwikkeling van landbouwprijzen. Dertig jaar later (rond 1880) komt de landbouw in een crisis terecht en landbouwgrond wordt opnieuw veld, geschikt voor bosbouw. Deze dynamiek tussen de bestemming van veld, bos en landbouwgrond gaat zeker terug tot de tiende eeuw maar is mogelijks ouder want bewoning van dit gebied gaat terug tot de zevende eeuw.

Waarom kwam er een eind aan de heide?


In de 19de eeuw gaat kunstmest (guano), stalmest vervangen en wordt de oude kringloopeconomie doorbroken. De intensivering van de landbouw begint en ook de minst vruchtbare, vochtige heidebodems worden ontgonnen. Prikkeldraad, uitgevonden in de Verenigde Staten in 1873 en massaal gebruikt tijdens de Eerste Wereldoorlog, maakt intensieve beweiding mogelijk. Invoer van goedkope Australische wol verstikt de lokale, kleinschalige productie. De heide verliest zijn belang maar door het wegvallen van het heidebeheer kon de spontane evolutie naar bos opnieuw intreden. De bloei van de steenkoolnijverheid leidde ten slotte tot het aanplanten van pijnbossen (grove en zwarte den) voor mijnhout. Vooral tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog werden de meeste heiden aan land- en bosbouw opgeofferd. Wat overbleef, ging nadien nog verder verloren door villabouw, aanleg van weekeindverblijven (‘wonen in het groen’), industrievestiging en versnippering ten gevolge van wegenbouw. Enkele meer of minder uitgestrekte heidegebieden konden in extremis worden bewaard als natuurreservaat, zoals Vloethemveld.

Waar de mens niet meer ingrijpt, komt na kortere of langere tijd het bos op natuurlijke wijze terug. De heide is in feite een gefixeerd successiestadium. De menselijke activiteiten (begrazen, maaien, plaggen) beletten dat de normale successie naar bos zich doorzet. Stopzetten van deze activiteiten betekent dat het bosstadium aanbreekt. Dit geldt onverminderd ook voor Vloethemveld. Zonder beheerwerken is de heide biotoop en zijn bewoners gedoemd om te verdwijnen.

 

Dirk Pottier